Isis en de kunst van eenvoud

eenvoud-05“Dat is heel simpel”, zei mijn vader vroeger als ik met een probleem bij hem kwam. Daar werd mijn probleem direct vaak minder ingewikkeld van. Een gestolen portemonnee, een uit de hand gelopen ding met geld, een onorthodoxe keuze om vlak voor mijn examen te stoppen met mijn opleiding om de wereld te gaan verbeteren, hij wist het te relativeren. Vaak loste hij het probleem ook nog voor me op, maar wat ik het fijnst vond was dat hij mij, met zijn nuchtere houding, hielp om mijn problemen minder vanuit mijn emoties te ervaren. Daar waar ik zelf in paniek was, me suf piekerde, me schaamde of moest huilen (om er maar een paar te noemen), werd ik weer kalmer door zijn houding.

Inmiddels weet ik dat in het leven niet voor alles een oplossing is en dat echt niet alles te reduceren is tot ‘heel simpel’. Toch is het levensmotto van mijn vader nog steeds voedend voor mij.

Om mijn leven op dit moment eenvoudiger te maken heb ik mijzelf iets opgelegd. Ik moet, ja moet, iedere dag bewust iets alleen én met aandacht doen. Het moeten geeft een belang aan mijn voornemen en zorgt dat ik het overstijg of ik zin heb of niet, tijd of niet, het sluit gesjoemel uit. Het móet, want het dient mij in mijn verlangen naar eenvoud, temidden van drukte en onoplosbare zaken. Het verlangen naar simpel, in alle hectiek en zwaarte.

Zo belandde ik deze week eind van de middag op het Artis-plein. Het beeld dat ik erbij had was om daar even stil te zitten onder de prachtige platanen.

Het liep anders.

Op het vrijwel lege plein stond zij. Twee blonde staarten, uitstaande oortjes, bij de waternevel van de fontein.

‘Kijk’, zei ze, ‘denk jij dat dit rook is?’ Ik beaam dat ik dat denk en zij demonstreert, doordat zij door de waterdampen heen en weer loopt, dat het wel degelijk water is. Vervolgens blijkt ze ook door de hardere stralen te durven lopen en nodigt mij uit om te voelen hoe koud het water is. Haar schoenen blijken niet waterdicht, ze laat me haar voetstappen zien.

‘Speelde jij vroeger ook altijd met fonteinen?’, wil zij weten. Ze vindt het jammer voor mij dat er vroeger niet zulke fonteinen bestonden. Ik vertel dat ik vroeger wel altijd bij water speelde. ‘En wat deed je als het niet mocht?’ Ze is tevreden met mijn antwoord, dat ik het dan soms tóch deed.

Ik suggereer dat het misschien een goed idee is om binnen wat warms te gaan drinken. Daar zit haar vader, met een ‘corlega’, zo heeft ze me al verteld. Ook weet ik inmiddels dat zij Isis heet en weet zij dat ik Corinne heet.

Zij vindt het jammer dat ik weer ga, ‘het was net zo gezellig’. ‘Maar we gaan elkaar vast weer zien’ eindigt ze hoopvol. In de deuropening verschijnt haar lachende vader. We zwaaien naar elkaar, Isis in haar rode doorweekte jasje, haar vader en ik.

Ik fiets even later naar huis. Lichter en blijer. Isis met de blonde staartjes heeft mij geholpen om eenvoud te ervaren, doordat zij mij meenam in haar onbevangenheid én wij in het hier en nu écht contact hadden.

Zo simpel is dat, pap!

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *